Klassiek

Het ontstaan van de klassieke muziek

Gemaakt door Erik                                                    

  Inleiding

Natuurlijk is er overal ter wereld ook voor het jaar 800 sprake van een grote verscheidenheid aan muzikale ontwikkelingen, we laten deze voor wat ze zijn en beginnen onze muziekgeschiedenis in de negende eeuw. Zoals bij literatuur en beeldende kunst wordt ook de muziekgeschiedenis ingedeeld in stijlperiodes. Voor iedere stijlperiode gelden een aantal specifieke kenmerken, waardoor het in principe mogelijk is te bepalen tot welke periode een bepaald muziekwerk gerekend moet worden. Maar laat het duidelijk zijn, dat stijlperiodes elkaar niet van het ene op het andere moment opvolgen, het gaat altijd om een geleidelijke overgang. Ook is het begin en einde van een stijlperiode niet overal tegelijkertijd: de Middeleeuwen duren in Noord- Europa langer dan in Italië, waar de Renaissance al in de 14de eeuw inzet. Terwijl in het begin van de twintigste eeuw diverse zeer modern klinkende muziekstijlen te beluisteren zijn, maken componisten nog tientallen jaren muziek in de stijl van de Romantiek (negentiende eeuw).Er zijn altijd muziekwerken die kenmerken hebben uit meerdere periodes of die zo apart zijn dat nauwelijks de periode is vast te stellen. Voor het bepalen van de periode letten we op:

bullet

de bezetting: stemmen, instrumenten en ensembles/orkesten

bullet

de uitvoeringspraktijk, waarbij aspecten van maat, ritme, tempo, melodie, samenklank, dynamiek, eenstemmigheid, meerstemmigheid van belang zijn

De stijlperiodes zijn:

(Tot en met de XXste eeuw is te bezoeken, aan de Jazz wordt nog gewerkt! )

Middeleeuwen

400

- 1400/1500

Renaissance

1400/1500

- 1600

Barok

1600

- 1750

Classicisme (Weense Klassieken)

1750

- 1820

 

                                                De Middeleeuwen

 Het Christendom was zeer belangrijk voor de ontwikkeling van kunst en muziek. De kerk vormde het centrum van de kunsten. Met name kloosters zijn centra van kunst en cultuur. In de vele steden die in de Middeleeuwen ontstaan, zijn universiteiten en de kathedraalscholen het centrum van onderwijs en wetenschap.

Beroepsmusici zijn voornamelijk in dienst van de Kerk. Dit verandert pas aan het einde van de Middeleeuwen. Aan het begin van de middeleeuwen was er alleen nog maar gregoriaanse muziek, Dat waren liederen gezongen door monniken zonder melodie. Maar in de 11e en 12e eeuw werden de liedjes steeds ingewikkelder en kwamen er ook liederen die door iedereen konden worden meegezongen, dit was de wereldlijke muziek. Dit ontwikkelde zich door tot aan de daaropvolgende periode

 

 

                                        De Renaissance

Algemeen 

De term "Renaissance" betekent letterlijk "wedergeboorte". In de 15e en 16e eeuw werd de Oudheid (de klassieke Griekse en Romeinse wereld) een bron van inspiratie. Met de herontdekking van het klassieke erfgoed (daar was de mens de maat van alle dingen) vond inderdaad een soort wedergeboorte plaats. 
Het begrip "Renaissance" staat dan ook voor de herleving van de menselijke waarden. Het werk van kunstenaars en schrijvers moest naast Gods goedkeuring ook begrijpelijk en aangenaam voor de mens zijn.  
Onder invloed van humanisme, ontdekkingsreizen, wetenschappelijke ontdekkingen en uitvindingen wordt de aandacht voor de mens als individu groter. Het nieuwe mensbeeld heeft een nieuw type kunstenaar tot gevolg dat zichzelf als scheppende kracht ziet.

 

Muziek
Dat de mens steeds meer centraal staat, komt o.a. tot uiting in de beeldende kunst en literatuur. 
De muziek loopt t.o.v. de andere kunsten een beetje achter, pas vanaf 1450 breekt de Renaissance door in de muziek. De muziek wordt in vergelijking met de Middeleeuwen vermenselijkt: De relatie tekst- muziek wordt belangrijker. Componisten gingen op zoek naar nieuwe middelen om de inhoud van de tekst te benadrukken. In plaats van de grillige melodielijnen van de gotische muziek wordt de eenvoudige door de menselijke adem bepaalde melodie het ideaal.  De gecompliceerde gotische ritmiek maakt plaats voor een regelmatige ritmische puls. Het ritmische verloop wordt bepaald door de natuurlijke declamatie van de tekst. De expressie van de tekst moet worden weergegeven. Voor het eerst mag muziek beluisterd worden puur om haar esthetische kwaliteiten. In de muziek gaat de de wereldlijke muziek een steeds grotere rol spelen ook krijgt de instrumentale muziek voor het eerst zelfstandige betekenis.

Italië het centrum van de kunsten 
Andrea Mategna: gedeelte van een fresco in het hertogelijk paleis te MantuaDe rijkdom aan kunst en cultuur is te vinden aan de hoven in Frankrijk, Engeland en Italië en in kathedralen, kerken en kloosters. Ook de kerkmuziek levert haar bijdrage aan deze pracht en praal.

In de Middeleeuwen lag het centrum van de culturele ontwikkeling in Frankrijk.   In de Renaissance verschuift dit. Met name in de 16e eeuw was Italië het centrum van de kunsten. De belangrijkste muzikale ontwikkelingen  (ook schilder-en beeldhouwkunst) gebeurden in Italië. De Franco- Vlaamse componisten waren veelvuldig in dienst van de Italiaanse  vorstenhoven en het Vaticaans. Daar konden ze de meerstemmigheid ontwikkelen  tot grote hoogten. 
De Italiaanse componist Palestina, beïnvloed door de Franco- Vlaamse stijl, heeft in zijn missen en motetten deze polyfone schrijfwijze geperfectioneerd.
                                                                                                                              

Afbeelding: Markies  Lodewijk XIII van Gonzaga, beschermer van de kunstenaar, met echtgenote en  bloedverwaten
 

  

Barok

Algemeen

De term Barok is een achteraf gegeven negatieve benaming voor de periode 1600-1750. Na 1750 wordt de kunst uit de voorgaande periode overdadig en onnatuurlijk gevonden. De muziek vindt men harmonisch verward en melodisch ingewikkeld. Later, in de 19de eeuw, is men anders tegen de Barokmuziek aan gaan kijken en is de negatieve bijbetekenis van de term Barok niet meer van toepassing.  meen 

De staat in de 17de eeuw is nog steeds een standenmaatschappij, waarbij koning (absolutisme) en adel de eerste stand zijn, de clerus (geestelijken) de tweede stand, burgers en boeren vormen de derde stand. Deze ordening is alleen door macht (leger) te handhaven, omdat de burgers in de steden door de opbloei van de wereldhandel in toenemende mate rijker en steeds beter opgeleid, dus mondiger worden.  De groeiende welstand van de burgerij is één van de oorzaken van het tot bloei komen van een openbaar theater (toneel, opera) en concertleven in de steden, naast het al eeuwen bestaande muziekleven aan kerken en hoven.  De Barok wordt gekenmerkt door een voorkeur voor pracht en praal, monumententale bouwwerken, met rijke, vaak zeer overdadige versieringen. In de muziek zien we dat bijvoorbeeld in de aankleding en uitvoeringspraktijk van de opera. De kunstenaar uit de Barok geeft wel uiting aan persoonlijke gevoelens en emoties, maar doet dat op een gestileerde manier volgens regels en conventies. De wereld lijkt een theater met acteurs, ceremoniemeesters en muziek: pruiken, gekunstelde aanspreek- en omgangsvormen vooral aan de hoven, in de opera zijn castraten dé sterren.

Instrumenten

De &quoInstrumentale ensembles worden zelfstandig. Ze zijn per partij solistisch of twee/drievoudig bezet en bestaan uit strijkers en/of blazers (hobo, fagot, fluiten, trompet). Er ontstaat een echte instrumentale muziek los van de vokale modellen. Componisten krijgen steeds meer oor voor de specifieke technische mogelijkheden van de instrumenten. Het orgel (geestelijke muziek) en clavecimbel (wereldlijke muziek) berei­ken in de Barok een hoogtepunt in hun ontwikkeling.  

 

Basso continuo

In ensemble muziek wordt de éénstemmig uitgeschreven baspartij  vaak door een basinstrument en toetsinstrument (in accoorden)  gespeeld: basso continuo. De instrumenten zijn cello (eventueel gamba of fagot) en clavecimbel.  In de kerk wordt het orgel gebruikt en in de meer intieme  huismuziek de luit/gitaar. 

Naast één of meerdere melodie­stemmen wordt een basmelo­die gegeven met cijfers. De basmelodie wordt gespeeld door de linker­hand op clavecimbel/orgel of door gamba/cello/fagot, terwijl op basis van de cijfers het toetsinstrument in accoorden meespeelt.

 Componisten:

Italië

Monteverdi (1567-1643)
Vivaldi (1680-1743)

Nederland

Jan Pietersz. Sweelinck (1562-1621)

Frankrijk

Jean Baptiste Lully (1632-1687)
Jean Philippe Rameau (1683-1764)

Engeland

Henri Purcell (1658-1759)
George Friedrch Händel (1685-1759)

Duitsland

Johann Sebastian Bach (1685-1750)

                                    Classicisme

Instrumenten

Het klassieke symfonieorkest bestaat uit een strijkorkest, aangevuld met blaas­instrumenten (fluit, klarinet, hobo, fagot, trompet, trombone, hoorn) en pauken.  Een voorloper van het klassieke symfonieorkest is het orkest van de Mannheimers uit de eerste helft van de 18de eeuw. Daarin was het clavecimbel uit het barokorkest vervangen door enige hoorns (voor vulnoten), de klarinet was toegevoegd aan de blaasinstrumenten, de strijkersgroep was versterkt en de dirigent stond voor het orkest. 

 

Hoofdpagina                                                                                                                                Muziekstijlenpagina