
![]()
Inleiding
Natuurlijk is er overal ter wereld ook voor het jaar 800 sprake van een grote verscheidenheid aan muzikale ontwikkelingen, we laten deze voor wat ze zijn en beginnen onze muziekgeschiedenis in de negende eeuw. Zoals bij literatuur en beeldende kunst wordt ook de muziekgeschiedenis ingedeeld in stijlperiodes. Voor iedere stijlperiode gelden een aantal specifieke kenmerken, waardoor het in principe mogelijk is te bepalen tot welke periode een bepaald muziekwerk gerekend moet worden. Maar laat het duidelijk zijn, dat stijlperiodes elkaar niet van het ene op het andere moment opvolgen, het gaat altijd om een geleidelijke overgang. Ook is het begin en einde van een stijlperiode niet overal tegelijkertijd: de Middeleeuwen duren in Noord- Europa langer dan in Italië, waar de Renaissance al in de 14de eeuw inzet. Terwijl in het begin van de twintigste eeuw diverse zeer modern klinkende muziekstijlen te beluisteren zijn, maken componisten nog tientallen jaren muziek in de stijl van de Romantiek (negentiende eeuw).Er zijn altijd muziekwerken die kenmerken hebben uit meerdere periodes of die zo apart zijn dat nauwelijks de periode is vast te stellen. Voor het bepalen van de periode letten we op:
|
de bezetting: stemmen, instrumenten en ensembles/orkesten | |
|
de uitvoeringspraktijk, waarbij aspecten van maat, ritme, tempo, melodie, samenklank, dynamiek, eenstemmigheid, meerstemmigheid van belang zijn |
De stijlperiodes zijn:
| (Tot en met de XXste eeuw is te bezoeken, aan de Jazz wordt nog gewerkt! ) | ||
|
400 |
- 1400/1500 |
|
|
1400/1500 |
- 1600 |
|
|
1600 |
- 1750 |
|
|
|
1750 |
- 1820 |

Het
Christendom was zeer belangrijk voor de
ontwikkeling van kunst en muziek. De kerk vormde het centrum van de kunsten. Met
name kloosters zijn centra van kunst en cultuur. In de vele steden die in de
Middeleeuwen onts
taan,
zijn universiteiten en de kathedraalscholen het centrum van onderwijs en
wetenschap.
Beroepsmusici zijn voornamelijk in dienst van de Kerk. Dit verandert pas aan het einde van de Middeleeuwen. Aan het begin van de middeleeuwen was er alleen nog maar gregoriaanse muziek, Dat waren liederen gezongen door monniken zonder melodie. Maar in de 11e en 12e eeuw werden de liedjes steeds ingewikkelder en kwamen er ook liederen die door iedereen konden worden meegezongen, dit was de wereldlijke muziek. Dit ontwikkelde zich door tot aan de daaropvolgende periode

Algemeen
De term "Renaissance" betekent letterlijk
"wedergeboorte". In de 15e en 16e eeuw werd de Oudheid (de klassieke Griekse en
Romeinse wereld) een bron van inspiratie. Met de herontdekking van het klassieke
erfgoed (daar was de mens de maat van alle dingen) vond inderdaad een soort
wedergeboorte plaats.
Het begrip "Renaissance" staat dan ook voor de herleving van de menselijke
waarden. Het werk van kunstenaars en schrijvers moest naast Gods goedkeuring ook
begrijpelijk en aangenaam voor de mens zijn.
Onder invloed van humanisme,
ontdekkingsreizen, wetenschappelijke ontdekkingen en uitvindingen wordt de
aandacht voor de mens als individu groter. Het nieuwe mensbeeld heeft een nieuw
type kunstenaar tot gevolg dat zichzelf als scheppende kracht ziet.
Muziek
Dat de mens steeds meer centraal staat, komt o.a. tot uiting in
de beeldende kunst en literatuur.
De muziek loopt t.o.v. de andere kunsten een beetje achter, pas vanaf 1450
breekt de Renaissance door in de muziek. De muziek wordt in vergelijking met de
Middeleeuwen vermenselijkt: De relatie tekst- muziek wordt belangrijker.
Componisten gingen op zoek naar nieuwe middelen om de inhoud van de tekst te
benadrukken. In plaats van de grillige melodielijnen van de gotische muziek
wordt de eenvoudige door de menselijke adem bepaalde melodie het ideaal. De
gecompliceerde gotische ritmiek maakt plaats voor een regelmatige ritmische
puls. Het ritmische verloop wordt bepaald door de natuurlijke declamatie van de
tekst. De expressie van de tekst moet worden weergegeven. Voor het eerst mag
muziek beluisterd worden puur om haar esthetische kwaliteiten. In de muziek gaat
de de wereldlijke muziek een steeds grotere rol spelen ook krijgt de
instrumentale muziek voor het eerst zelfstandige betekenis.
Italië het
centrum van de kunsten
De
rijkdom aan kunst en cultuur is te vinden aan de hoven in Frankrijk, Engeland en
Italië en in kathedralen, kerken en kloosters. Ook de kerkmuziek levert haar
bijdrage aan deze pracht en praal.
In de Middeleeuwen lag het centrum van de culturele ontwikkeling
in Frankrijk. In de Renaissance verschuift dit. Met name in de 16e eeuw was Italië het centrum van de kunsten. De belangrijkste muzikale ontwikkelingen
(ook schilder-en beeldhouwkunst) gebeurden in Italië. De Franco- Vlaamse componisten waren veelvuldig in dienst van de Italiaanse vorstenhoven en het Vaticaans. Daar konden ze de meerstemmigheid ontwikkelen
tot grote hoogten.
De Italiaanse componist Palestina, beïnvloed door de Franco- Vlaamse stijl,
heeft in zijn missen en motetten deze polyfone schrijfwijze geperfectioneerd.
Afbeelding:
Markies Lodewijk XIII van Gonzaga,
beschermer van de kunstenaar, met echtgenote en bloedverwaten

Instrumentale
ensembles worden zelfstandig. Ze zijn per partij solistisch of twee/drievoudig
bezet en bestaan uit strijkers en/of blazers (hobo, fagot, fluiten, trompet). Er
ontstaat een echte instrumentale muziek los van de vokale modellen. Componisten
krijgen steeds meer oor voor de specifieke technische mogelijkheden van de
instrumenten. Het orgel (geestelijke muziek) en clavecimbel (wereldlijke muziek)
bereiken in de Barok een hoogtepunt in hun ontwikkeling.
Naast één of meerdere melodiestemmen wordt een basmelodie gegeven met cijfers. De basmelodie wordt gespeeld door de linkerhand op clavecimbel/orgel of door gamba/cello/fagot, terwijl op basis van de cijfers het toetsinstrument in accoorden meespeelt.
|
Italië |
Monteverdi (1567-1643) |
|
Nederland |
Jan Pietersz. Sweelinck (1562-1621) |
|
Frankrijk |
Jean Baptiste Lully
(1632-1687) |
|
Engeland |
Henri Purcell (1658-1759) |
|
Duitsland |
Johann Sebastian Bach (1685-1750) |

Het klassieke symfonieorkest bestaat uit een strijkorkest, aangevuld met blaasinstrumenten (fluit, klarinet, hobo, fagot, trompet, trombone, hoorn) en pauken. Een voorloper van het klassieke symfonieorkest is het orkest van de Mannheimers uit de eerste helft van de 18de eeuw. Daarin was het clavecimbel uit het barokorkest vervangen door enige hoorns (voor vulnoten), de klarinet was toegevoegd aan de blaasinstrumenten, de strijkersgroep was versterkt en de dirigent stond voor het orkest.