Grafieken maken

Hét sterke punt van de grafische rekenmachine is het tekenen van grafieken bij een ingevoerde formule. Als je de machine in de MODE: Function zet, kan hij grafieken tekenen bij formules van de vorm Y = ...
Toets [MODE] en loop met de pijltjestoetsen naar Func. Vervolgens [ENTER] en [CLEAR].

Je gebruikt voor grafieken vooral de toetsen die direct onder het beeldscherm zitten.

 Zo kun je bijvoorbeeld een grafiek tekenen bij de formule:
y = 0,5x - 2.

  • toets [ Y= ] en je krijgt nu een lijst te zien waarin formules van de vorm y = ... kunnen worden ingevoerd: Y1, Y2, ..., Y0 (Met de pijltjestoetsen kun je door deze lijst lopen. Met [CLEAR] haal je al ingevulde formules weg);
  • plaats de cursor achter Y1= en toets 0.5 [X,T,q,n] [ – ] 2; je hebt nu de formule ingevoerd;
  •  toets daarna: [GRAPH]; in principe krijg je nu de grafiek in beeld (Dat hoeft echter niet, want het kan zijn dat de grafiek buiten het schermgebied ligt. Toets dan [ZOOM] en kies met behulp van de pijltjestoetsen ZStandard [ENTER]. De grafiek is nu normaal gesproken te zien).

Toets [WINDOW] en je krijgt de vensterinstellingen te zien. Dus tussen welke waarden de variabele x (van Xmin tot Xmax) loopt en tussen welke waarden de variabele y (van Ymin tot Ymax) loopt.  Met de pijltjestoetsen kun je door de lijst gaan en getallen veranderen. Door [GRAPH] te toetsen krijg je steeds verschillende delen van de grafiek in beeld.
Xscl en Yscl leggen de eenheid (scale = schaal) op de assen vast. Experimenteer er maar even mee...

Toets [TRACE] en je ziet een aantal dingen in je scherm verschijnen: een knipperende cursor op de grafiek bij je formule; de x-coördinaat en de y-coördinaat van die cursor; links boven in het scherm de formule die bij de grafiek van Y1 hoort. Met de pijltjestoetsen kun je nu de cursor over de grafiek verplaatsen en de bijbehorende coördinaten aflezen. Heb je meerdere grafieken, dan kun je met de pijltjestoetsen (omhoog en omlaag) ook van de éne naar de andere springen.  De cursor doorloopt de grafiek in sprongen. Het nulpunt (het punt met y = 0) is dus niet nauwkeurig te vinden met de TRACE-routine. Probeer maar...

Als je de coördinaten van zo'n nulpunt nauwkeuriger wilt vaststellen, moet je de grafiek vergroten: je moet dan inzoomen op de grafiek. Toets [ZOOM] en kies ZBOX [ENTER]. Je kunt dan met behulp van de pijltjestoetsen een rechthoekje om het gewenste punt tekenen: kies eerst met de cursor een punt bijvoorbeeld links onder het gewenste punt, toets [ENTER] en gebruik dan een pijltjestoets om het rechthoekje in te stellen, toets weer [ENTER] en het rechthoekje ligt vast en de grafiek komt vergroot in beeld. Met [TRACE] kun je nu het nulpunt nauwkeuriger bepalen.

  Toets [2nd] [GRAPH] en je krijgt via de TABLE-routine een tabel bij de grafiek te zien: een lijst met x-waarden en de bijbehorende y-waarden waar je met de pijltjestoetsen doorheen kunt lopen. De stapgrootte in de tabel kun je veranderen met TblSet, zoek maar even.

Tenslotte nog dit:
Je kunt het beeldscherm van de TI-83 splitsen. Als je bij [MODE] kiest voor Full (standaard ingesteld), dan krijg je een volledig scherm. Met de keuze Horiz wordt het scherm horizontaal gesplitst als je [GRAPH] toetst en kun je in de onderste helft het Y= scherm, of het WINDOW-scherm oproepen. Met de keuze G-T zie je de tabel naast de grafiek verschijnen als je [GRAPH] toetst.